Kerst bij de buren. Not as you know it.

Wekenlang hadden we hen niet meer gehoord, de buren. Die van het vierde verdiep, oftewel: de Afrikaantjes. Het gelijkvloers, verdieping 1 en 2, hebben we al te vriend. En dat na amper 6 maanden in het nieuwe huis. Score. Vriendjes in die mate zelfs dat we tijdens Bob De Bouwer-momenten al materiaal uitwisselen zoals schroefmachines en aanverwanten. Voor de gemiddelde vrouw en homo: zeg nooit zomaar boormachine tegen een schroefmachine, want dat is blijkbaar een fout om U tegen te zeggen.

Deze intro doet echter al vermoeden dat er aan de heuglijke stilte abrupt een einde is gekomen. En ik kan dat jammer genoeg enkel maar bevestigen. Een half uur eerder arriveerden we thuis, en zagen we iemand op de stoep van de buren zitten, gewapend met een krat bier. Dat voorspelde al niet veel goeds. “Jezus zette op kerstavond zijn klep open, dus dat doen wij ook even”, moeten de buren aansluitend gedacht hebben. In het Afrikaans dan wel, maar die taal begrijp ik nog steeds niet, ondanks de live praktijklessen die ik thuis soms door de muren heen kan volgen.

Zo niet, dacht m’n wederhelft, en dus trok ie de straat op om aan te bellen bij het feestgespuis. Ehm, -gedruis, vergeef me. Niet dat dat aanbellen ook maar enig nut had, want het ging er boven zo luid aan toe dat Pieter geen gehoor kreeg. Gehoor kreeg ik echter wel, toen ik naar bed trok. Een pijnlijk gehoor. En dus waagde ik me voor het eerst aan iets wat tot dan ondenkbaar leek: Make-uploos de straat op trekken, met -hou u vast- de intentie mensen onder ogen te komen. Ik denk zelfs dat ik gewapend was met m’n jogging om het geheel nog appetijtelijker te maken, maar dat weet ik niet meer zeker. Blame it on tijdelijke ontoerekeningsvatbaarheid.

Niet opendoen was geen optie. En dus bleef ik bellen tot de man op de derde verdieping, de onderbuur van de Afrikaantjes, uit z’n raam ging hangen om me te vertellen dat hij gek werd van hun luide toestanden. Op de vraag of hij dan al naar boven getrokken was om hen te vragen of het überhaupt wat stiller kon, was het antwoord neen. Een 27-jarige niet echt heel sterke vrouw, leek me nu toch ook niet dé aangewezen persoon om binnen te vallen bij een tiental waarschijnlijk onder invloed zijnde bodybuilders, maar wat moet, moet. Ik werd binnengelaten in de trappenhal door de bange onderbuur en trok naar boven. Op slag werd ik van 1 procentje perfectionisme verlost. Nooit meer zal ik me slecht voelen wanneer ik bezoek krijg en er welgeteld 2 sparrennaaldjes of 1 stofje op de trappen liggen. Hier was duidelijk in geen 5 jaar meer gekuist.

Starways to heaven waren het zeker niet. Tenzij heaven een smerig rookkot is en de wolken die wij zien, stiekem gewoon wiet-uitstoten zijn. Secondelang bonken op de deur had bitterweinig effect en ik had de dag ervoor nog maar net m’n nagels gelakt, dus ik besloot maar gewoon binnen te stappen. Want een slot gebruiken, dat kennen ze niet. I came in like a wrecking ball (Miley Cyrus is er niets tegen) en meteen had ik de aandacht van 2 flink uit de kluiten gewassen (of ze gewassen waren, weet ik eigenlijk niet echt zeker) mannen. Lucky me. Nederlands begrepen ze niet. Frans nog minder. Engels dan maar. Op de vraag of ze het een 70-tal decibel rustiger aan konden doen, kreeg ik het verrassende antwoord “But it’s Christmas time!”. Dat Kerstmis voor mij gelijk staat aan samen rond de kerstboom zitten en pakjes open doen, en niet gezellig wiet liggen smoren en de ene pint na de andere achterover slaan, leek hen te verwonderen. Nu ik hun aandacht had (het woord ‘wiet’ deed wonderen), besloot ik er nog even aan toe te voegen dat ze 2 minuten hadden om hun achterraam te sluiten, dat grensde aan onze slaapkamer. En 3 minuten om ervoor te zorgen dat ik geen woord meer hoorde, of dat ze anders bezoek kregen van de politie.

2 minuten later stond ik heelhuids in m’n badkamer, met uitzicht op hun raam. Daar was de leader ondertussen heen getrokken. Niet om het te sluiten, wel om op de uitkijk te staan om te checken of ik terug op de uitkijk kwam staan. Ja dus. Al was ik wel snel weg toen ik merkte dat ik er ondertussen al in m’n slip stond. Maar niet zonder eerst nog even te roepen dat hun 2 minuten bijna om waren. Het raam werd gesloten, maar de decibels gingen erna echter nog de hoogte in, scanderend en stampend, om me nog even op de zenuwen te werken. Gelukkig staat het nummer van de Blauwe Lijn in m’n favorieten en was de politie 5 minuten later al ter plaatse (uiteraard, want alle andere mensen zaten wél vredig rond de kerstboom cadeautjes te openen). Na een korte briefing, trok ik naar bed, en zij naar het rookkot. Net op het hoogtepunt van hun gescandeer en gestamp, hoorden we hen de deur bijna inbeuken. Waarop het afgrijselijk stil werd. Na hun inval hebben we niets meer gehoord. Al een volledige week niet meer. Het lijkt wel alsof de agenten de Afrikanen ter plaatse op een kerstster hebben gezet en regelrecht de hemel hebben ingeschoten. Ik hoop voor hen dat het daarboven toch zo’n rookkot is. En dat ze op de hoogste wolk ever terecht komen. Ondertussen loop ik ook op wolkjes. Stille wolkjes. En niet naar wiet-ruikende.

Advertenties
Standaard

Garagezilla – The Sequel

Was je altijd al op zoek naar iemand die het ene moment te bang is om haar ogen te sluiten, en het andere vrijwillig en met veel goesting bij 3 louche Bulgaren in een nog louchere wagen kruipt? Stop, met zoeken. I’m your man.

Oude herenhuizen maken veel geluiden, zegt men altijd. Ik ben meer van het principe: die geluiden moeten dan toch ergens vandaan komen. En dat dacht ik vannacht om 2 uur te bewijzen. Niet omdat ik niets beters te doen had, wel omdat m’n vriend en ik al enkele keren lawaai hoorden op het gelijkvloers. Wij lagen in de slaapkamer, 2 verdiepen hoger. En we hebben héél hoge plafonds. Dat geluid had met andere woorden best wat meters te overbruggen, dus dit moést wel iets zijn. Er rotsvast van overtuigd dat er iemand in ons huis zat, trok ik met de wederhelft naar beneden. En toen Pieter z’n eerste stap op de trap zette, leek het alsof er ineens een deur werd toegedaan beneden. Te luid, te veel toeval. Beneden moesten we zijn. Alhoewel, we… Pieter dus. Ik hield de wacht in de hal, om de man te kunnen overmeesteren als die via één van onze bergingen zou proberen te ontsnappen. Ongewapend. In een slaapbloesje. En met een bril die niet echt scherp genoeg meer is om een staanlamp van een mens te onderscheiden. Maar de intentie was er.

Vijf minuten later kreeg ik te horen dat er niets aan de hand was en trokken we terug naar boven. Pieter deed alsof alles in orde was en stelde me heel lief gerust, maar als je daarna nog 10 minuten de wacht houdt boven de trap, zo hard voorover gebogen dat je bijna naar beneden valt om toch maar elk geluid te kunnen horen… nou ja, dan mist dat geruststellen z’n effect wel.

Eens het licht uit was hoorden we weer 2 keer precies een deur toeslaan, en snorde de wederhelft z’n zakmes op om terug naar het gelijkvloers te trekken. “Maar niets aan de hand hoor schattie.” Juist ja. Nadat we zelfs de koffer van de auto grondig inspecteerden, moesten we toch terug met lege handen naar boven. Na een tussenstop in de zetel om alles nog even goed in de gaten te houden, zochten we toch maar terug onze kamer op. Op 1 voorwaarde: Hij mocht niet voor mij in slaap vallen. “Tuurlijk niet, ik ga je beschermen.” 10 minuten later lag er eentje in dromenland. En het was niet ik.

The Day After:

Hoera, het is licht! Onze spullen staan hier nog allemaal! We hebben het overleefd!
Geen sporen van inbraak. Maar ik kreeg meteen andere katten te geselen. Ik had met een gijzeling te doen. Weer stond er immers iemand voor m’n poort geparkeerd. Voor zij die wat leutige background nodig hebben, 1 adres: https://ellelives.wordpress.com/2013/09/25/garagezilla/

Na een toeterconcert waar menig fanfare nog een puntje aan kon zuigen, nog steeds geen spoor van de boosdoener(s). In afwachting van de politie besloot ik maar gewoon te… wachten. Want dat is wat mensen doen die gevangen zitten in hun eigen huis. En ze worden ook een beetje chagrijnig. Zo chagrijnig dat ze zelfs nog los op de bestuurder zouden vliegen, al was het een louche gespierde man. Oh wacht, dat deed ik al (zie de link hierboven).

Met z’n drieën waren ze dit keer. En van Bulgaarse afkomst. Uiteraard. Gelukkig spreek ik die taal ondertussen al een beetje en begrijp ik dus moeiteloos wat “soeri soeri, faaiv minoetjes” betekent. Al tellen ze in Bulgarije precies op een andere manier, want die faaiv minoetjes waren er bij mij toch een dikke dertig.

Rap rap kropen ze ondertussen in de wagen, maar dat was zonder mij gerekend. “Als jullie mij 5 minuten laten wachten, ik jullie ook”, en ik zette me in de wagen. Dat hadden ze precies niet zien aankomen, maar wat gemekker en een tiental verontschuldigingen later, leken ze te begrijpen dat ik niet ging vertrekken. Ondertussen was de buurman al enkele keren licht geamuseerd komen toekijken, en was ook m’n wederhelft poolshoogte komen nemen nadat ik hem uit z’n bed getoeterd had. Of in z’n ogen ongeloof, amusement, trotsheid of pure verontwaardiging of ‘Ik moet jou dringend naar het gesticht brengen’ blonk, weet ik nog niet goed. Al leken de eerste 2 kernwoorden het te winnen nadat ik vroeg: “Haal je eens een lepeltje? Ik ging juist beginnen aan m’n Petit Gervais toen ze toekwamen.” Dus waarom niet gewoon even ontbijten en m’n mails doen in hun wagen?

Een kwartier later hadden de Bulgaren het wel gehad. “Iz niet meer faaiv minoetjes, iz al faaivtien minoetjes’.

“Met rente gaat dat ook zo”, kaatste ik terug. En ik bleef nog even zitten.

Standaard