Garagezilla – The Sequel

Was je altijd al op zoek naar iemand die het ene moment te bang is om haar ogen te sluiten, en het andere vrijwillig en met veel goesting bij 3 louche Bulgaren in een nog louchere wagen kruipt? Stop, met zoeken. I’m your man.

Oude herenhuizen maken veel geluiden, zegt men altijd. Ik ben meer van het principe: die geluiden moeten dan toch ergens vandaan komen. En dat dacht ik vannacht om 2 uur te bewijzen. Niet omdat ik niets beters te doen had, wel omdat m’n vriend en ik al enkele keren lawaai hoorden op het gelijkvloers. Wij lagen in de slaapkamer, 2 verdiepen hoger. En we hebben héél hoge plafonds. Dat geluid had met andere woorden best wat meters te overbruggen, dus dit moést wel iets zijn. Er rotsvast van overtuigd dat er iemand in ons huis zat, trok ik met de wederhelft naar beneden. En toen Pieter z’n eerste stap op de trap zette, leek het alsof er ineens een deur werd toegedaan beneden. Te luid, te veel toeval. Beneden moesten we zijn. Alhoewel, we… Pieter dus. Ik hield de wacht in de hal, om de man te kunnen overmeesteren als die via één van onze bergingen zou proberen te ontsnappen. Ongewapend. In een slaapbloesje. En met een bril die niet echt scherp genoeg meer is om een staanlamp van een mens te onderscheiden. Maar de intentie was er.

Vijf minuten later kreeg ik te horen dat er niets aan de hand was en trokken we terug naar boven. Pieter deed alsof alles in orde was en stelde me heel lief gerust, maar als je daarna nog 10 minuten de wacht houdt boven de trap, zo hard voorover gebogen dat je bijna naar beneden valt om toch maar elk geluid te kunnen horen… nou ja, dan mist dat geruststellen z’n effect wel.

Eens het licht uit was hoorden we weer 2 keer precies een deur toeslaan, en snorde de wederhelft z’n zakmes op om terug naar het gelijkvloers te trekken. “Maar niets aan de hand hoor schattie.” Juist ja. Nadat we zelfs de koffer van de auto grondig inspecteerden, moesten we toch terug met lege handen naar boven. Na een tussenstop in de zetel om alles nog even goed in de gaten te houden, zochten we toch maar terug onze kamer op. Op 1 voorwaarde: Hij mocht niet voor mij in slaap vallen. “Tuurlijk niet, ik ga je beschermen.” 10 minuten later lag er eentje in dromenland. En het was niet ik.

The Day After:

Hoera, het is licht! Onze spullen staan hier nog allemaal! We hebben het overleefd!
Geen sporen van inbraak. Maar ik kreeg meteen andere katten te geselen. Ik had met een gijzeling te doen. Weer stond er immers iemand voor m’n poort geparkeerd. Voor zij die wat leutige background nodig hebben, 1 adres: https://ellelives.wordpress.com/2013/09/25/garagezilla/

Na een toeterconcert waar menig fanfare nog een puntje aan kon zuigen, nog steeds geen spoor van de boosdoener(s). In afwachting van de politie besloot ik maar gewoon te… wachten. Want dat is wat mensen doen die gevangen zitten in hun eigen huis. En ze worden ook een beetje chagrijnig. Zo chagrijnig dat ze zelfs nog los op de bestuurder zouden vliegen, al was het een louche gespierde man. Oh wacht, dat deed ik al (zie de link hierboven).

Met z’n drieën waren ze dit keer. En van Bulgaarse afkomst. Uiteraard. Gelukkig spreek ik die taal ondertussen al een beetje en begrijp ik dus moeiteloos wat “soeri soeri, faaiv minoetjes” betekent. Al tellen ze in Bulgarije precies op een andere manier, want die faaiv minoetjes waren er bij mij toch een dikke dertig.

Rap rap kropen ze ondertussen in de wagen, maar dat was zonder mij gerekend. “Als jullie mij 5 minuten laten wachten, ik jullie ook”, en ik zette me in de wagen. Dat hadden ze precies niet zien aankomen, maar wat gemekker en een tiental verontschuldigingen later, leken ze te begrijpen dat ik niet ging vertrekken. Ondertussen was de buurman al enkele keren licht geamuseerd komen toekijken, en was ook m’n wederhelft poolshoogte komen nemen nadat ik hem uit z’n bed getoeterd had. Of in z’n ogen ongeloof, amusement, trotsheid of pure verontwaardiging of ‘Ik moet jou dringend naar het gesticht brengen’ blonk, weet ik nog niet goed. Al leken de eerste 2 kernwoorden het te winnen nadat ik vroeg: “Haal je eens een lepeltje? Ik ging juist beginnen aan m’n Petit Gervais toen ze toekwamen.” Dus waarom niet gewoon even ontbijten en m’n mails doen in hun wagen?

Een kwartier later hadden de Bulgaren het wel gehad. “Iz niet meer faaiv minoetjes, iz al faaivtien minoetjes’.

“Met rente gaat dat ook zo”, kaatste ik terug. En ik bleef nog even zitten.

Advertenties
Standaard

Garagezilla

Me ongeshminkt buitenhuis begeven. In jogging de straat op gaan (en niet eens om te gaan lopen). In ondergoed en een T-shirt communiceren met de buren. En laat ons vooral zwijgen over de kamerjas. Ze stonden op m’n Things NOT to do before I die-list. Tot anderhalve maand geleden.

Even recapituleren: ik ben verhuisd. Naar het mooiste pand ooit. In één van de leukste buurten ooit. En ook een beetje met de leukste vent ooit. En de buren, die bezorgden ons de voorbije weken een hartelijk welkom. Oh nee, wacht. Hatelijk, moest dat zijn. Silly me.

Parkeerplaats in hartje Antwerpen, geen evidentie. En dus wouden wij koste wat het kost een herenhuis met een garage, al betekende dat flink dokken. Lucky bastards die we zijn, had ons droomhuis niet 1 wagenplaats in de garage, maar 3. Zelfs m’n nieuwe fiets met de mégamand die groter is dan de tweewieler zelf, mag zich enkele keren vermenigvuldigen en dan hebben we nòg plaats genoeg in de garage. Handig, toch? That is, als je erin en eruit kan, tenminste.

Garagezilla1

Lijkt me duidelijk, niet?

De vriendelijke buren rechts (één van de mannen van de Strangers, al moest ik daar even op gewezen worden want hun muziek was niet zo mijn cup of tea), waren meteen mee in het verhaal. Die links echter, begrepen het principe ‘verboden te parkeren’ niet zo goed. Met alle gevolgen hieronder vandien.

Met een dikke 15 wonen ze in het huis links naast ons. En ze hebben vrienden. Veel vrienden. Allemaal mensen die ons ontzettend dankbaar zijn dat wij een parkeerplaats voor hen gekocht hebben die zij afwisselend mogen gebruiken. Perceptie, que? Vijf keer heb ik vriendelijk maar kordaat verzocht mijn in- en uitrit vrij te houden. Sinds die dag staat de Blauwe Lijn van de politie in mijn favorieten van m’n iPhone. En de takeldienst.

Eén boosdoener had standaard een lelijk kartonnen bordje achter het raam van zijn wagen liggen met daarop z’n GSM-nummer. Eén keer heb ik hem gebeld, omdat ik binnen de 5 minuten moest vertrekken naar een afspraak in het ziekenhuis, en de politie veel langer op zich zou laten wachten. Niet dat de man in kwestie opnam ofzo hoor. Afspraak dan maar missen en de politie toch optrommelen. Toen ik de trap opliep om binnen m’n GSM te halen, hoorde ik iemand achter me naar z’n wagen sluipen. Nou, mooi niet. De man in kwestie was zich van geen kwaad bewust “want ich hat toech numero in auto?” Numero keihandig, als je niet opneemt. En ik moet juist niets, gaf ik hem ook even ter info mee. Ik was best duidelijk. Zo duidelijk dat de hele straat mijn repliek heeft gehoord. Ik dacht, die zien we niet meer terug.

Verkeerd gedacht, toen ie een week later opnieuw voor mijn garage stond. De man  was zijn leven beu. Het kwam tot een woordenwisseling waar ze in de Wetstraat nog een puntje aan konden zuigen. Niet dat de man veel in te brengen had, wegens het niet spreken van onze taal. Maar luisteren zou ie, want in de tussentijd had m’n vriend z’n wagen overdag ook nog enkele keren voor ons huis gespot. Laten we hem Broznev noemen, dat typt iets makkelijker, en de naam past best goed bij zijn lichaamsbouw. Broznev dus, een flink in het vet gezette Bulgaar, vond het nodig na mijn tirade te weigeren zich te verplaatsen. Hij was enkele huizen verder aan het werk en wou van onze parkeerplaats gebruik maken, of het ons nu paste of niet. Hoe het zover is gekomen, weet ik niet meer, maar ineens had ik een gasfles in mijn handen. Eentje uit zijn arsenaal dat daar om de één of andere duistere reden op straat stond. Het loodzware stuk leek wel een veertje (onderschat de kracht van een furie niet), en ik zette het achteraan in onze garage. Stotterend liep hij mijn eigendom op. “Iz van mij, iz van mij”, klonk het hijgend. “En die parkeerplaats en waar ge nu staat, da’s allemaal van mij”, riep ik wild gebarend terug, terwijl ik hem uit mijn garage duwde alsof ik tegen een boksbal stootte. Hij stootte terug, maar gelukkig heb ik een sterke vent die ervoor zorgde dat de man me met geen vinger meer aanraakte. 5 seconden later zat Broznev vast onder onze automatische poort, die we al naar beneden hadden laten zakken. Met de gasfles tussen zijn benen. No words can describe.

Nog wat ronder, nog wat meer bilspleet en hij moest ook nog iets lager hangen. Dat schetst het wel zo'n beetje.

Nog wat ronder, nog wat meer bilspleet en hij moest ook nog iets lager hangen. Dat schetst het wel zo’n beetje.

Ter info: we hebben hem niet meer teruggezien. En de andere buren staan hier gemiddeld maar 5 keer per dag meer in plaats van 15. Thumbs up for myself. En ik geef de strijd niet op. De uitleg “Boete gen problem, ik kan toch niet betaal”, heb ik ook al 2 weken niet meer gehoord. Een kleine overwinning waar ik maar al te graag een vreugdedansje op de stoep voor doe. In jogging zelfs. Of in kamerjas. Niet meer in ondergoed, want dat vonden de mannen volgens mij stiekem wel leuk.

Standaard